bijwerkingen bij kanker

Patiënteninformatie over bijwerkingen van oncologische middelen met bijbehorende adviezen

Geselecteerde behandelingen: chemotherapie, immunotherapie

Inleiding

U bent doorverwezen naar de Dagbehandeling Oncologie voor een behandeling. Tijdens het voorlichtingsgesprek hebben wij u geïnformeerd over de zaken die gaan komen. U heeft folders meegekregen over onder meer uw ziekte, de behandeling en eventuele bijwerkingen. De informatie op deze pagina’s gaat over de specifieke behandeling die u gaat krijgen. U wordt onder meer geïnformeerd over:

  • De bereikbaarheid van de dagbehandeling Oncologie, de verpleegkundig specialist en de verschillende poliklinieken
  • De medicijnen die u gaat krijgen.
  • De (mogelijke) bijwerkingen die u kunt verwachten.
  • Adviezen om met deze (mogelijke) bijwerkingen om te gaan.
  • Redenen om contact op te nemen met het ziekenhuis.

De informatie is niet alleen van belang voor uzelf maar ook voor bijvoorbeeld uw huisarts of andere hulpverleners waarmee u in contact komt.

Algemene informatie

De Dagbehandeling Oncologie.

Behandeling met chemotherapie vindt plaats op de Dagbehandeling Oncologie. Deze vindt u op de eerste etage en is bereikbaar via telefoonnummer (0495-) 572237.

Verpleegkundig specialist oncologie.

Op diverse poliklinieken is een verpleegkundig specialist werkzaam. De verpleegkundig specialist is een verpleegkundige die gespecialiseerd is op gebied van behandelingen van kwaadaardige aandoeningen. Zij/hij verricht naast verpleegkundige ook een aantal medische handelingen. De verpleegkundig specialist heeft enkele malen per week spreekuur. De verpleegkundig specialist is ook beschikbaar op de Dagbehandeling Oncologie.

24-uurs bereikbaarheid.

Voor vragen kunt in principe altijd terecht in het ziekenhuis. Voor niet-dringende vragen of problemen kunt u terecht bij de arts of verpleegkundig specialist tijdens uw bezoek aan het spreekuur of bij de verpleegkundigen tijdens uw behandeling.

Voor dringende problemen kunt u op werkdagen overdag telefonisch contact opnemen met de verpleegkundig specialist. Aan hen kunt u het probleem voorleggen. Eventueel vindt overleg plaats met de behandelend arts. Voor dringende problemen in de avond- of nachturen, tijdens het weekend of op feestdagen kunt u contact opnemen met de afdeling spoedeisende hulp.  Vertel hierbij dat u behandeld wordt met chemotherapie en nu problemen hebt. Het probleem kan mogelijk telefonisch worden afgehandeld. Soms is het nodig dat u naar de spoedeisende hulp komt.

De telefoonnummers zijn:

  • Verpleegkundig specialist oncologie: 0495-572100 vragen naar sein 7616
  • Spoedeisende Hulp:                                0495- 572610

Internist hematoloog:

Te bereiken via de polikliniek interne geneeskunde:   0495-572626

Te gebruiken websites.

Er zijn veel websites met informatie over kanker, behandelmogelijkheden en andere infomatie die hierbij van toepassing kan zijn. Enkele websites zijn:

Extra ondersteuning

Het kan voorkomen dat het uzelf niet lukt om met bepaalde problemen/moeilijkheden om te gaan. Dit ondanks de steun van uw partner, kinderen of vrienden en bekenden. Het is mogelijk om in zo'n situatie extra ondersteuning te krijgen van een deskundige. Deze extra ondersteuning kan zowel binnen als buiten het ziekenhuis gegeven worden door gespecialiseerde hulpverleners zoals een maatschappelijk werkende, pastoraal werkende/geestelijke verzorger of psycholoog. Daarnaast zijn er in de provincie Limburg verschillende inloophuizen zoals het Toon Hermanshuis. De arts, verpleegkundige of verpleegkundig specialist kan u informeren of adviseren over extra ondersteuning of begeleiding.

Problemen met voeding

Tijdens de behandeling met chemotherapie zal nagegaan worden of uw voedselopname toereikend is. Indien u (ernstige) problemen heeft met uw voeding kan advies en begeleiding gevraagd worden van de diëtiste van het ziekenhuis. Samen met u zal zij kijken naar de mogelijkheden die er zijn u te helpen om beter te kunnen eten en drinken. Meld aan de arts, verpleegkundig specialist of verpleegkundige wanneer u problemen hebt met eten of drinken. Zij verwijzen u indien nodig naar een diëtiste. Mogelijk bezoekt u de diëtiste tijdens haar spreekuur. Het kan ook zijn dat zij telefonisch contact opneemt met u om op die manier adviezen te geven.

Behandelschema

De behandeling bestaat uit de toediening van vier specifieke medicijnen. Daarnaast worden nog enkele andere ondersteunende medicijnen voorgeschreven die bijvoorbeeld dienen om eventuele bijwerkingen te verminderen.

De behandeling wordt eenmaal per drie weken gegeven volgens onderstaand schema.

Medicament

Dag 1

Dag 2 t/m 21

Wijze van toediening

Rituximab

X

rustperiode

Infuus; gedurende meerdere uren

Cyclofosfamide

X

Infuus; 30 minuten

Vincristine

X

Infuus; 15 minuten

Prednison

1 t/m 5

Capsules gedurende vijf dagen

De snelheid van het toedienen van Rituximab hangt af van de mate waarin een (eventuele) overgevoeligheidsreactie optreedt.

In totaal worden maximaal acht behandelingen (=kuren) gegeven.

Ondersteunende medicijnen.

Medicijnen tegen misselijkheid:

  • Metoclopramide 10 mg: zonodig 3 maal daags een tablet.

Medicijnen tegen een allergische reactie.

Voor aanvang van de toediening van Rituximab worden verschillende medicamenten toegediend om een allergische reactie te voorkomen:

  • Clemastine (Tavegil) tabletten van 1 mg: 2 tabletten een uur voor aanvang van de kuur.
  • Paracetamol tabletten 500 mg: 2 tabletten een uur voor aanvang van de kuur.

Aantal behandelingen en controles.

De arts heeft met u het aantal toedieningen besproken. Vóór iedere volgende toediening vindt bloedcontrole plaats en bezoekt u het spreekuur van de arts of de verpleegkundig specialist. Hierbij wordt de voortgang van de behandeling besproken.

Beschermende maatregelen ten aanzien van excreta.

Tijdens het informatiegesprek heeft de verpleegkundige u verteld op welke wijze u tijdens de behandeling om Voor meer informatie verwijzen we u naar de patientenfolder "Beschermende maatregelen na chemotherapie (voor thuis) "die u hebt gekregen tijdens het informatiegesprek met de verpleegkundige. dient te gaan met excreta. Deze maatregelen moeten genomen worden gedurende 3 dagen na de toediening.

Voetnoot behandelplan

Beschermende maatregelen na chemotherapie

Inleiding

In de volgende tekst staan adviezen over beschermende maatregelen nadat u een behandeling met cytostatica (= chemotherapie) hebt gehad. Deze maatregelen kunt u nemen in uw thuissituatie.

Tijdens het voorlichtingsgesprek over chemotherapie is u verteld dat (resten van) cytostatica tot een week na de toediening in uw lichaam aanwezig kunnen zijn. Binnen deze tijd worden zij afgebroken en verlaten zij in kleine hoeveelheden uw lichaam; dit gebeurt vooral via urine, ontlasting, transpiratie, braaksel  en (eventueel) wondvocht. In dit informatiepakketje staat onder het kopje ‘Extra informatie veilig omgaan met excreta’ vermeld gedurende welke periode deze uitscheiding van cytostatica plaatsvindt. Deze tijd wordt ook wel de risicoperiode genoemd.

Uit onderzoek blijkt dat cytostatica schadelijk kunnen zijn voor gezonde mensen. Vooral verpleegkundigen die hier tijdens hun werk veel mee te maken hebben, lopen een risico. U heeft gemerkt dat zij hiervoor extra beschermende maatregelen nemen, zoals het dragen van handschoenen. Omdat u thuis slechts korte tijd  in aanraking komt met cytostatica, zijn de risico's voor uw omgeving heel klein. Toch vinden wij het belangrijk om u over een aantal zaken te informeren. Laat deze informatie ook lezen aan alle mensen die betrokken zijn bij uw verzorging.

Toiletgebruik

  • Gebruik  bij voorkeur -indien mogelijk- een 'eigen' toilet gedurende de risicoperiode. 
  • Indien u een gezamenlijk toilet gebruikt wordt het volgende geadviseerd:
    • Ga op het toilet zitten zowel om te plassen als voorontlasting.
    • Sluit het toiletdeksel als u klaar bent
    • Spoel tweemaal door
    • Was de handen na iedere toiletgang
    • Reinig het toilet tenminste eenmaal daags met een reinigende stof (deze behoeft geen alcohol of chloor te bevatten). Eventueel kunt u na ieder gebruik van het toilet de toiletbril reiningen met een ontsmettingsdoekje.

Contact

  • U hoeft lichamelijk contact met uw naasten niet te vermijden.
  • Persoonlijke hygiëne is belangrijk om contact met cytostatica via uitscheidingsproducten zo beperkt mogelijk te maken. Daarbij kunt u denken aan eenmaal per dag douchen/in bad gaan en goed handen wassen na toiletbezoek. Indien u fors hebt getranspireerd is het beter om u te wassen en/of andere kleding aan te trekken voordat u contact hebt met anderen.

Medicijnen

Wanneer er bij uw behandeling medicijnen worden voorgeschreven die u thuis moet gebruiken, dan kunt u letten op het volgende:

  • Medicijnen niet malen of breken.
  • Indien u de medicijnen niet kunt slikken en u mag deze volgens de bijsluiter oplossen, dan kunt u de tablet in een medicijnbekertje laten oplossen, opdrinken en het bekertje weggooien als besmet afval of schoonmaken met een PH-neutraal schoonmaakmiddel.
  • Na inname is het raadzaam de handen te wassen.

Wegwerphandschoenen

Bij contact met urine of ontlasting adviseren wij om wegwerphandschoenen te dragen. Dit geldt ook voor contact met braaksel kort na inname van cytostatica.

Schoonmaken

Alle onderstaande zaken kunnen worden schoongemaakt met een normaal schoonmaakmiddel.

  • Toilet en was- en badgelegenheid, eenmaal per dag en na morsen of braken,
  • Vloer of –bedekking als hier braaksel, urine of andere lichaamsvloeistoffen op is gekomen.
  • De WC-borstel na de risicoperiode.

Besmet wasgoed wassen

  • Eerst een koud spoelprogramma met alleen de besmette kleding of beddengoed dus geen ander wasgoed toevoegen.
  • Daarna een wasprogramma (inclusief voorwas) dat geschikt is voor het materiaal. Hieraan mag u andere wasgoed toevoegen.

Urine en ontlasting

  • Gebruik indien het kan een ander toilet dan uw huisgenoten.
  • Mannen kunnen het beste zittend urineren, dit veroorzaakt minder spatten.
  • Spoel het toilet na gebruik tweemaal door met een gesloten deksel.
  • U kunt na gebruik van het toilet de bril reinigen met een met vochtig (reinigings-) doekje.
  • Heeft u een blaaskatheter, verwissel (of laat dit doen) dagelijks de opvangzak. U leegt deze eerst in het toilet. De opvangzak doet u (in verband met mogelijke lekkage) in een dubbele plastic zak doen en gooit u weg met het huisvuil..
  • Een po of urinaal spoelt u eerst om met koud water; daarna reinigt u deze met een gewoon schoonmaakmiddel.
  • Alle uitscheidingsproducten kunnen via het riool worden afgevoerd.

Braaksel

  • Ga als het kan naar het toilet als u moet braken.
  • Bent u misselijk en braakt u af en toe, dan is het handig om iets op het kussen te leggen, een wegwerponderlegger of een handdoek.
  • Om beschadiging van tandglazuur te voorkomen, spoelt u na het braken de mond met water.

Afval

Afvalmaterialen zoals gebruikte handschoenen, matjes, incontinentiemateriaal, bakjes van braaksel of stomamateriaal kunt u verzamelen in een plastic zak en vervolgens in een plastic vuilniszak doen. Deze kunt u bij het normale huisvuil doen.

Overige gebruikte materialen

Voor gebruik van bestek, serviesgoed en andere gebruiksartikelen hoeft u geen speciale maatregelen te nemen.

Seksualiteit

Tijdens de risicoperiode bevatten alle lichaamsvloeistoffen cytostatica. Deze kunnen op de partner overgebracht worden tijdens seksuele handelingen. Gebruik daarom in de risicoperiode bij seksuele handelingen altijd een condoom. Dit geldt ook voor de mensen die een andere vorm van anticonceptie toepassen zoals sterilisatie of gebruik van " de pil".

Kinderwens van anderen.

Mocht iemand in uw directe omgeving zwanger zijn of een kinderwens hebben, volg dan de bovenstaande adviezen zeker op. 

Zwangerschap

Chemotherapie heeft ook gevolgen voor groei en ontwikkeling van het ongeboren kind, vooral tijdens de eerste drie maanden van de zwangerschap. Daarom is het aan te raden om zwangerschap te voorkomen. Dit advies geldt zowel voor de periode van de behandeling als voor de maanden daarna. Het effect van chemotherapie op eicellen en zaadcellen is verschillend. Daarom worden de volgende adviezen gegeven:

  • Mannen: voorkomen dat een zwangerschap ontstaat gedurende de behandeling en 3 - 12 maanden na de behandeling.
  • Vrouwen: voorkomen van zwangerschap tot 12-24 maanden na het einde van de behandeling.

Overleg met uw behandelend arts Indien er een kinderwens is snel na beëindiging van de chemotherapie.

Anticonceptie.

Indien u zwangerschap wilt voorkomen kunt u hiervoor gebruik maken van dezelfde mogelijkheden of materialen als in andere situaties. Enkele mogelijkheden om zwangerschap te voorkomen zijn:

  • Onthouding van geslachtsgemeenschap.
  • Verwijdering van de eierstokken of sterilisatie (zowel mannen als vrouwen).
  • Anticonceptie in de vorm van middelen die hormonen bevatten. Deze kunnen gebruikt worden in de vorm van een tablet ("de pil"), een injectie, pleister, implantaat of spiraal (Mirena). Deze middelen bevatten vrouwelijke hormonen en mogen daarom niet gebruikt worden in geval van bepaalde vormen van borstkanker. De middelen worden bij voorkeur ook niet gegeven aan mensen die een trombose en/of embolie hebben ontwikkeld. Wanneer u  borstkanker heeft, (een verhoogde kans op) trombose of embolie en wilt starten met anticonceptie, raden we u aan te overleggen met uw arts.
  • Plaatsing van een spiraaltje. Hierbij wordt door de arts een klein spiraaltje ingebracht in de wand van de baarmoeder. Er zijn verschillende soorten spiraaltjes:
    • Met hormonen (bijv. Mirena®)
    • Zonder hormonen (koperen spiraaltje)
  • Gebruik van een (vrouwen-) condoom.
  • Met dit hulpmiddel wordt de opening in de baarmoedermond afgesloten. Hiermee wordt voorkomen dat zaadcellen tot in de baarmoeder kunnen komen. Vaak inbrengen van een pessarium gecombineerd met gebruik van zaaddodende crème.

De keuze voor de manier van anticonceptie hangt af van de aard van uw ziekte, uw persoonlijke mogelijkheden en uw persoonlijke voorkeur.

Vragen

Heeft u naar aanleiding van bovenstaande nog vragen, neem dan contact op met de arts, Verpleegkundig Specialist Oncologie of oncologieverpleegkundige op de dagbehandeling Oncologie.

Veilig omgaan met uitscheiding

Resten van medicijnen verlaten uw lichaam via uitscheidingsproducten (ook wel excreta genoemd). Bijvoorbeeld via plas, poep of als u moet overgeven. (Huid)contact met deze stoffen kan schadelijk zijn.

De risico's voor uw omgeving zijn thuis klein. U mag anderen gewoon aanraken, knuffelen of zoenen. Dit is niet schadelijk. Ook niet voor baby’s, kinderen of zwangere vrouwen. Wel is het belangrijk om een aantal adviezen te volgen. Hoelang u deze adviezen moet volgen, verschilt per middel.

Lees hier meer over adviezen die u thuis kunt volgen.

Hoelang zijn beschermende maatregelen nodig?

  • Cyclofosfamide: 3 dagen
  • Rituximab: geen risico
  • Vincristine: 2 dagen

Gevolgen voor vruchtbaarheid en ongeboren kind

Deze informatie is relevant voor vrouwen én mannen in de vruchtbare leeftijd.
Vrouwen mogen tijdens de behandeling en ook in een bepaalde periode daarna meestal niet zwanger worden. Er kunnen risico’s zijn voor het ongeboren kind. Bij mannen is minder goed bekend of een behandeling, zoals chemotherapie, tijdelijk invloed kan hebben op de kwaliteit van het zaad en of dit risico’s met zich meebrengt voor het ongeboren kind.

Ook kan de behandeling van kanker ervoor zorgen dat u (later) minder vruchtbaar bent of eerder in de overgang komt. Dit hangt af van het soort medicijnen, de combinatie van medicijnen, de dosering, het soort kanker en uw leeftijd.

Bespreek vóór de start van de behandeling wat dit in uw situatie betekent. Bijvoorbeeld of – en hoe lang – u maatregelen moet nemen om een zwangerschap te voorkomen.
Heeft u een kinderwens? Bespreek dan met uw zorgverlener de mogelijkheid van invriezen van sperma of eicellen vóór het starten van de behandeling.

Bijwerkingen en adviezen

Blaasproblemen

Door de behandeling kunnen blaasproblemen ontstaan door beschadiging of irritatie van de blaaswand.

andere kleur van uw plas

Sommige stoffen in medicijnen kunnen de kleur van uw plas veranderen. Uw plas kan bijvoorbeeld rood worden. Dit is niet gevaarlijk. De verkleuring gaat vanzelf weg. Meestal binnen een paar dagen nadat u het medicijn heeft gebruikt.

Advies

Het is belangrijk om genoeg te blijven drinken, minstens 1,5 tot 2 liter per dag. Dit zijn ongeveer 10-12 glazen. Denk aan water, thee, bouillon, sap of limonade.

Denkt u dat u een blaasontsteking heeft? Lees dan de adviezen bij de bijwerking blaasontsteking.

Laatst gewijzigd: 13 oktober 2025

blaasontsteking

Door een behandeling kan de wand van de blaas beschadigd raken of geïrriteerd worden. Als de blaaswand beschadigd is, kunnen er meer bacteriën in de blaas komen. Die bacteriën kunnen een ontsteking veroorzaken. Dat noemen we een blaasontsteking.

De volgende klachten kunnen voorkomen:

  • een branderig gevoel of pijn bij het plassen
  • pijn in de onderbuik
  • vaker plassen dan normaal
  • kleine beetjes plassen of niet goed kunnen (uit)plassen
  • bloed in uw plas
  • sterk ruikende en/of troebele plas
Advies
  • Het is belangrijk om genoeg te blijven drinken, minstens 1,5 tot 2 liter per dag. Dit zijn ongeveer 10-12 glazen. Denk aan water, thee, bouillon, sap of limonade.
  • Ga meteen plassen als u voelt dat u moet.
  • Plas uw blaas helemaal leeg. Dit gaat het beste als u rechtop zit op de wc. Neem rustig de tijd om te plassen en probeer te ontspannen.
  • Om de kans op een blaasontsteking te verminderen geldt voor vrouwen het advies om meteen na de seks te gaan plassen.
  • Neem direct contact op met uw zorgverlener als u:
    • veel bloed plast, dat wil zeggen meer dan een half kopje.
    • pijn heeft bij het plassen.
    • koorts heeft (38,5 graden of meer).
    • last heeft van koude rillingen (klappertanden en rillen).

Laatst gewijzigd: 13 oktober 2025

bloed in uw plas

Door de behandeling kan het slijmvlies van de blaas geïrriteerd raken. Dit kan zorgen voor wondjes in de blaas die gaan bloeden. Hierdoor kan er bloed in uw plas terechtkomen.

Een klein beetje bloed (spoortje) in de plas komt soms voor. Dit kan er al voor zorgen dat uw plas roze van kleur wordt. Vaak gaat het vanzelf weer weg. Hier hoeft u niet voor te bellen.

Advies
  • Neem direct contact op met uw zorgverlener als u:
    • veel bloed plast; meer dan een half kopje.
    • pijn heeft bij het plassen.
    • koorts heeft (38,5 graden of meer).
    • last heeft van koude rillingen (klappertanden en rillen).

Laatst gewijzigd: 7 mei 2025

plas verliezen

Door de behandeling kunt u uw plas minder goed ophouden. U kunt dan per ongeluk plas verliezen, bijvoorbeeld als u lacht of beweegt. Ook de volgende klachten kunnen voorkomen:

  • ineens nodig moeten plassen
  • vaak moeten plassen
  • pijn of branderig gevoel bij het plassen
Advies
  • Oefeningen voor de bekkenbodem kunnen de spieren rond de blaas sterker maken. Een bekkenfysiotherapeut kan u hierbij helpen. Vind er hier een bij u in de buurt.
  • Plas kan de huid irriteren. Verzorg uw huid daarom goed met een crème of lotion.
  • Probeer niet te veel koffie en alcohol te drinken. Hierdoor moet u nog meer plassen.
  • Het is belangrijk om genoeg te blijven drinken, minstens 1,5 tot 2 liter per dag. Dit zijn ongeveer 10-12 glazen. Denk aan water, thee, bouillon, sap of limonade. Minder drinken zorgt er niet voor dat u uw plas beter kunt ophouden.
  • Houd in de gaten of u wel nog regelmatig moet poepen. Is dit niet zo? Bespreek dit dan met uw zorgverlener.
  • U kunt ook hulpmiddelen gebruiken die uw plas opvangen. Bijvoorbeeld een verband in uw ondergoed of speciaal ondergoed. Tijdens het slapen kunt u een matje of hoes gebruiken die uw matras beschermt.

Denkt u dat u een blaasontsteking heeft? Lees dan de adviezen bij de bijwerking blaasontsteking

Laatst gewijzigd: 10 december 2025

Grieperig voelen

Door de behandeling kunt u zich grieperig voelen. Dit begint meestal enkele uren na de behandeling en houdt ongeveer 1 tot 2 dagen aan. De klachten verdwijnen meestal vanzelf.

De volgende klachten kunnen voorkomen:

  • koorts (38,5 graden of meer)
  • koude rillingen (klappertanden en rillen)
  • ziek voelen
  • hoofdpijn
  • spierpijn
  • minder zin in eten
  • hoesten, keelpijn
  • moe zijn
  • misselijk zijn en overgeven
  • diarree
Advies
  • Als de volgende klachten beginnen enkele dagen na de behandeling, neem dan direct contact op met uw zorgverlener:
    • koorts (38,5 graden of meer)
    • koude rillingen (klappertanden en rillen)
  • Heeft uw zorgverlener gezegd dat u paracetamol mag gebruiken? Neem dan 2 tabletten van 500 mg per keer. Niet vaker dan 4 keer per 24 uur. Gebruikt u paracetamol bij koorts? Meet dan wel van tevoren uw temperatuur. Als u geen koorts meer heeft, hoeft u ook geen paracetamol meer te gebruiken.
  • Het is belangrijk om genoeg te blijven drinken, minstens 1,5 tot 2 liter per dag. Dit zijn ongeveer 10-12 glazen. Denk aan water, thee, bouillon, sap of limonade.
  • Rust genoeg. Zoek balans en wissel momenten van inspanning en ontspanning/rust met elkaar af.
  • Eet kleine porties. Neem meerdere kleinere maaltijden en/of tussendoortjes op een dag, in plaats van 3 grote maaltijden.

Laatst gewijzigd: 6 mei 2025

Haarproblemen

Door de behandeling kan uw haar veranderen. 

dunner haar of haaruitval

Door de behandeling kan uw haar dunner worden of uitvallen. U kunt daardoor (voor een deel) kaal worden. Niet alleen het haar op uw hoofd kan dunner worden of uitvallen, maar ook haar op uw gezicht of lichaam. Meestal begint het haar enkele weken na start van de behandeling dunner te worden of uit te vallen.

Haaruitval of dunner worden van haar is meestal tijdelijk. Na het stoppen van de behandeling begint het haar binnen enkele weken tot maanden weer dikker te worden of te groeien. Het haar kan er anders uitzien dan eerst. De kleur kan bijvoorbeeld anders zijn, het haar kan steiler zijn of juist meer krullen hebben.

De volgende klachten kunnen voorkomen:

  • gevoelige of pijnlijke hoofdhuid
  • droge hoofdhuid of jeuk
  • emotionele klachten zoals het omgaan met verandering in uiterlijk.
Advies

Algemene adviezen

  • Wees voorzichtig bij het borstelen en wassen van uw haar en hoofdhuid. Gebruik een milde shampoo voor het wassen en was het haar niet vaker dan 2 keer per week.
  • Gebruik geen föhn, stijltang, haarklemmen of producten zoals gel die uw hoofdhuid kunnen beschadigen.
  • Bescherm de hoofdhuid tegen de zon met een hoedje of pet, of smeer uw hoofdhuid in met zonnebrandcrème (minimaal factor 30).
  • Draag bij koud weer een muts of sjaal om uw hoofd te bedekken. Kies zachte stoffen en materialen.
  • Praat met mensen om u heen als u emotionele klachten ervaart door dunner haar of haaruitval.
  • Look Good Feel Better kan u helpen met praktische tips over make-up, huidverzorging en haarwerken. Kijk hier voor meer informatie.

Adviezen dunner haar

  • Borstel voorzichtig uw haar. Gebruik hiervoor een zachte babyborstel.

Adviezen haaruitval

  • Haaruitval kan verminderd of soms voorkomen worden door uw hoofdhuid te koelen. Door de hoofdhuid te koelen tijdens de behandeling, stroomt er minder bloed naar de hoofdhuid. Hierdoor beschadigen de haarzakjes minder erg en heeft u minder last van haaruitval. Bespreek met uw zorgverlener of u hoofdhuidkoeling kunt krijgen. Dit is afhankelijk van de soort chemotherapie en de dosering. Voor meer informatie kijkt u hier.
  • Een slaapmuts kan helpen tegen irritatie van de hoofdhuid tijdens het slapen.
  • U kunt het haar alvast kort knippen of scheren voordat het begint uit te vallen. Mogelijk ervaart u dan minder ongemak als het begint uit te vallen.

U kunt een haarwerk of andere hoofdbedekking opzetten als u dat wil. Soms wordt dit vergoed door uw zorgverzekeraar. Een haarwerkspecialist kan u helpen bij het kiezen van een haarstukje, haarwerk of toupim bijvoorbeeld.

Laatst gewijzigd: 7 januari 2026

veranderingen aan het haar

Door de behandeling kan uw haar veranderen. Het haar op uw hoofd kan dunner worden. Het kan ook lichter of wit worden. Soms gaat het haar krullen. Haar op andere plekken van uw lichaam kan ook veranderen. Er kan bijvoorbeeld haar in uw gezicht groeien. Soms worden uw wimpers of wenkbrauwen langer. U kunt zelf niks doen aan de veranderingen aan uw haar.

Advies
  • Praat met mensen om u heen als u verdrietig bent of zich zorgen maakt door de veranderingen aan uw haar.

 Adviezen dunner haar:

  • Borstel en was uw haar en hoofdhuid voorzichtig. Gebruik een milde shampoo. Was uw haar niet vaker dan 2 keer per week.
  • Gebruik geen föhn, stijltang, haarklemmen of producten zoals gel. Deze kunnen uw hoofdhuid beschadigen.
  • Bescherm de hoofdhuid tegen de zon met een hoedje of pet, of smeer uw hoofdhuid in met zonnebrandcrème (minimaal factor 30).
  • Draag bij koud weer een muts of sjaal om uw hoofd te bedekken. Kies zachte stoffen en materialen.

Look Good Feel Better kan u helpen met praktische tips over make-up, huidverzorging en haarwerken. Kijk hier voor meer informatie.

Gewijzigd: 29 juli 2026

Huidproblemen

Door de behandeling kan de huid geïrriteerd raken.

huiduitslag

Door de behandeling kunt u huiduitslag krijgen. Dit kan over uw hele huid voorkomen. Het kan ook op één plek zitten, bijvoorbeeld op uw borst

De volgende klachten kunnen voorkomen:

  • rode huid
  • jeuk
  • bultjes op de huid
  • dikke huid
  • blaren of blaasjes op de huid
  • wondjes en korstjes op de huid
Advies
  • Neem meteen contact op met uw zorgverlener als u blaren of blaasjes heeft.
  • Verzorg uw huid goed. Was de huid met lauw water. Gebruik geen zeep of weinig zeep.
  • Gebruik geen producten met alcohol op de huid, zoals parfum en aftershave.
  • Scheer de huid niet op de plek waar de huiduitslag zit.
  • Blijf uit de zon, vooral tussen 12 en 15 uur.
  • Smeer zonnebrandcrème met minimaal factor 30. Smeer uw huid hiermee elke 2 uur in. Smeer ook opnieuw na het zwemmen of als u veel heeft gezweet.
  • Draag geen strakke kleren of strakke schoenen.
  • Gebruik koelkompressen om de klachten tijdelijk te verminderen.
  • Gebruik een vette crème of lotion zonder parfum. Bijvoorbeeld koelzalf of cetomacrogolcrème. Dit kunt u kopen bij de drogist of apotheek. Dit voorkomt de huiduitslag niet, maar kan wel helpen bij klachten.
  • Vertel het altijd aan uw zorgverlener als u huiduitslag heeft.

Gewijzigd: 22 juli 2026

jeuk

Door de behandeling kunt u last krijgen van jeuk. Dit kan ongemakkelijk en vervelend zijn. Bij jeuk heeft u de drang om te krabben of te wrijven. Jeuk kan voorkomen over het hele lichaam of op een stuk van het lichaam.

De volgende klachten kunnen voorkomen:

  • een rode huid of huiduitslag
  • slecht slapen
  • psychische klachten
Advies
  • Probeer niet te krabben of wrijven. Zorg voor afleiding zoals muziek of ontspanningsoefeningen.
  • Probeer de huid zo min mogelijk uit te drogen. Dit doet u door:
    • niet te vaak en niet te lang te douchen of baden.
    • lauw water te gebruiken.
    • geen of weinig zeep te gebruiken.
  • Droog de huid na het douchen voorzichtig af. Dep uw huid droog.
  • Gebruik geen producten met alcohol op de huid, zoals parfum en aftershave.
  • Gebruik een crème of lotion zonder parfum. Gebruik bijvoorbeeld koelzalf, cetomacrogolcrème of vaseline. Dit kunt u kopen bij de drogist of apotheek.
  • Vermijd irritatie van de huid waar het jeukt. Draag loszittende kleding en kleding van katoen of andere zachte stoffen.
  • Bespreek uw klachten met uw zorgverlener tijdens uw volgende afspraak. Heeft u veel last van de klachten en merkt u dat ze uw dagelijks leven moeilijk maken? Neem dan eerder contact op met uw zorgverlener. Deze gaat samen met u bekijken wat er mogelijk is. 

Laatst gewijzigd: 15 juli 2025

Koorts bij chemotherapie

Door de behandeling met chemotherapie kunt u koorts krijgen. Koorts is een lichaamstemperatuur boven de 38,5°C. Koorts kan ontstaan door een infectie. Door de chemotherapie bent u gevoeliger voor infecties. Dit komt doordat de chemotherapie ervoor kan zorgen dat het lichaam minder witte bloedcellen maakt. Witte bloedcellen zijn belangrijk omdat ze helpen bij het bestrijden van bacteriën en virussen. Als er te weinig nieuwe witte bloedcellen worden gemaakt, kan uw afweer verzwakken. Hierdoor heeft u meer kans op infecties. Het is dus belangrijk om te letten op klachten van een infectie die koorts kunnen veroorzaken.

De volgende klachten kunnen een teken zijn van een infectie:

  • koorts
  • koude rillingen (klappertanden en rillen)
  • zweten
  • het warm hebben
  • benauwd zijn
  • hoesten, soms met slijm
  • keelpijn
  • pijn bij het plassen, vaker plassen en/of troebele urine
  • pijn in de mond of bij het slikken
  • diarree
  • buikpijn
  • ziek voelen

Hieronder staan adviezen die u kunt volgen als u koorts heeft. Ook staan er adviezen om de kans op het krijgen van een infectie of koorts te verkleinen.

Advies

Wat u kunt doen bij koorts:

  • Heeft u een temperatuur van boven de 38,5°C? Neem dan direct contact op met uw zorgverlener.
  • Heeft uw zorgverlener gezegd dat u paracetamol mag gebruiken? Neem dan 2 tabletten van 500 mg per keer. Niet vaker dan 4 keer per 24 uur.
  • Bij koorts heeft het lichaam extra vocht nodig. Door koorts en zweten verliest u meer vocht dan normaal. Het is belangrijk om genoeg te blijven drinken, minstens 1,5 tot 2 liter per dag. Dit zijn ongeveer 10-12 glazen. Denk aan water, thee, bouillon, sap of limonade. Genoeg drinken kan in het begin lastig zijn, omdat u niet altijd dorst heeft. Het kan dan helpen om op te schrijven wat u heeft gedronken.
  • Rust genoeg.

 Wat u kunt doen om de kans op koorts te verkleinen:

  • Verzorg uw mond en tanden goed. Bijvoorbeeld door regelmatig uw mond te spoelen en tanden te poetsen. Wees voorzichtig met flosdraad, ragers en tandenstokers.
  • Was uw handen regelmatig, vooral na gebruik van het toilet.
  • Kom niet in de buurt bij mensen die zich niet lekker voelen. Bijvoorbeeld mensen met koorts, verkoudheid of diarree.
  • Controleer regelmatig uw handen en voeten op ontstoken wondjes of blaren.
  • Bespreek met uw zorgverlener of u de griepvaccinatie moet halen.

Dit zijn algemene adviezen. In uw situatie kunnen andere adviezen gelden. Bespreek dit met uw zorgverlener. Neem bij twijfel altijd contact op met uw zorgverlener.

Laatst gewijzigd: 17 maart 2025

Maag-darmklachten

Door de behandeling kunt u last krijgen van maag-darmklachten. Dit zijn klachten die te maken hebben met het spijsverteringskanaal. Deze loopt van de mond tot en met de anus. Klachten kunnen zijn: een ander ontlastingspatroon, maag- of buikpijn, opgeblazen gevoel of winderigheid.

misselijk zijn en overgeven

Door de behandeling kunt u misselijk worden en overgeven. Het hangt af van de kankersoort en behandeling hoeveel last u hiervan heeft.

De volgende klachten kunnen voorkomen:

  • kokhalzen en overgeven
  • minder zin in eten
  • maagklachten, zoals een vol gevoel of pijn in de maag
  • buikpijn en/of buikkrampen
  • opgezette buik

Misselijk zijn en overgeven zijn vervelende bijwerkingen en kunnen u beperken in uw dagelijks leven. Hieronder vindt u adviezen over hoe u kunt omgaan met deze klachten.

Advies
  • Het is belangrijk dat u uw medicijnen altijd inneemt zoals u met uw zorgverlener hebt besproken. Houdt u aan de vaste tijden om uw medicijnen in te nemen, ook als u niet misselijk bent.
  • Door het overgeven verliest u meer vocht dan normaal. Het is belangrijk om genoeg te blijven drinken, minstens 1,5 tot 2 liter per dag. Dit zijn ongeveer 10-12 glazen. Denk aan water, thee, bouillon, sap of limonade.
  • Eet kleine porties. Neem meerdere kleinere maaltijden en/of tussendoortjes op een dag, in plaats van 3 grote maaltijden.
  • Forceer het eten niet. Eet op momenten wanneer u minder misselijk bent en pauzeer bij hevige misselijkheid.
  • Eet geen vet, gefrituurd, zoet, zuur of scherp gekruid eten.
  • Vermijd sterke geuren tijdens het eten. Als de geur van eten u stoort, vraag anderen om het eten klaar te maken.
  • Als de geur van eten u stoort, probeer dan eten te eten dat koud is of op kamertemperatuur is.
  • Maak het eten zo ontspannen mogelijk. Voor sommige mensen is het fijn om afleiding te hebben van de televisie, muziek of gezelschap. Anderen vinden het juist fijn om in een rustige ruimte te eten.
  • Zorg dat u voldoende beweegt. Regelmatig bewegen, zoals buiten wandelen of yoga, kan ervoor zorgen dat u minder last heeft van misselijk zijn en overgeven.
  • Doe ontspanningsoefeningen. Massages, luisteren naar muziek en mediteren kunnen helpen tegen misselijk zijn.
  • Wilt u acupunctuur of acupressuur proberen? Bespreek dit dan eerst met uw arts.
  • Neem direct contact op met uw zorgverlener als u:
    • langer dan 24 uur moet overgeven.
    • niet voldoende kunt drinken (minder dan 1,5 liter per dag) en/of als u last heeft van uitdroging. Dit is bijvoorbeeld te merken aan een droge mond en droge huid. En aan weinig of niet kunnen plassen en donkerbruine plas.

Uw zorgverlener kan samen met u kijken wat er mogelijk is. Dit hangt af van uw klachten. U kunt bijvoorbeeld extra medicijnen krijgen tegen het misselijk zijn.

Kijk hier voor meer adviezen over wat u kunt doen als u last heeft van misselijk zijn en overgeven. Vind hier een dietist bij u in de buurt die u kan helpen met deze klachten.

Laatst gewijzigd op 15 april 2025

diarree

Diarree is waterige dunne ontlasting waarvoor u meer dan 3 keer per dag naar de wc moet. Bij diarree nemen de darmen minder vocht en voedingsstoffen op. Dit komt door irritatie van de darmen, waardoor de darmen minder goed werken. Vaak komt de aandrang plotseling. En is het ophouden van de diarree moeilijk of lukt het zelfs helemaal niet.

De volgende klachten kunnen optreden:

  • een waterige of dunne ontlasting
  • bloed of slijm bij de ontlasting
  • buikpijn en/of buikkrampen
  • opgeblazen gevoel
  • vaak naar de wc moeten
  • misselijk zijn en overgeven
  • koorts
  • als u een stoma heeft voor de ontlasting, moet u het zakje vaker legen dan normaal.
Advies

Wat moet u doen bij diarree:

  • Neem contact op met uw zorgverlener als u:
    • langer dan 24 uur diarree heeft.
    • bloed of slijm bij de ontlasting heeft.
    • moet overgeven en diarree heeft.
  • Houd bij hoe vaak en hoe veel ontlasting u heeft.
  • Door de diarree verliest u meer vocht dan normaal. Het is belangrijk om genoeg te blijven drinken, minstens 1,5 tot 2 liter per dag. Dit zijn ongeveer 10-12 glazen. Denk aan water, thee, bouillon, sap of limonade. Varieer met zowel zoete als zoute dranken. Genoeg drinken kan in het begin lastig zijn, omdat u niet altijd dorst heeft. Het kan dan helpen om op te schrijven wat u heeft gedronken.

Wat kunt u nog meer doen bij diarree:

  • Voeding is meestal niet de oorzaak van diarree. Een streng dieet is niet nodig. Wel kan het helpen om verschillende dingen te eten. Vasten of minder eten is niet verstandig.
  • Vermijd koffie, alcohol, zure dranken, producten met zoetstoffen of producten met lactose.
  • Eet of drink (tijdelijk) meer zout. Als u diarree heeft, verliest u meer zout dan normaal. Neem regelmatig een kopje soep of bouillon. Overleg met uw zorgverlener als u niet te veel zout mag eten.
  • Eet kleine porties. Kies in plaats van 3 grote maaltijden voor kleinere porties verdeeld over de dag.

Neem nooit medicijnen, supplementen of probiotica (bacteriën die de darmen kunnen helpen) tegen diarree zonder dit met uw zorgverlener te bespreken.

Kijk hier voor meer adviezen over wat u kunt eten bij diarree.

Ook kunt u bij diarree last krijgen van wondjes en pijn rondom de anus. Hieronder vindt u adviezen wat u moet doen als u wondjes en/of pijn rondom uw anus heeft:

  • Maak uw huid schoon met zacht toiletpapier.
  • Was de huid al deppend zonder zeep.
  • Gebruik vette zalf rondom het anale gebied om de jeuk te verzachten.

Laatst gewijzigd: 15 april 2025

Minder bloedcellen

In het beenmerg worden nieuwe bloedcellen aangemaakt. Door de behandeling kan de aanmaak van nieuwe bloedcellen door het beenmerg verminderen. Dan treedt een tekort aan verschillende bloedcellen op. Meestal merkt u daar weinig of niets van, maar het is wel belangrijk te weten op welke signalen of veranderingen u moet letten.

te weinig bloedplaatjes

Door de behandeling kunt u tijdelijk te weinig bloedplaatjes in uw bloed hebben. Dit heet ook wel trombocytopenie. Bloedplaatjes zijn belangrijk voor de bloedstolling. Ze zorgen dat er een korstje op een wond komt. Bij te weinig bloedplaatjes blijven wondjes langer bloeden. Ook krijgt u sneller blauwe plekken.

Uw zorgverlener controleert uw bloed. Als het aantal bloedplaatjes in het bloed te laag wordt, kan de arts dit gaan behandelen. Zelf kunt u niets doen om een tekort te voorkomen.

De volgende klachten kunnen voorkomen:

  • blauwe plekken zonder dat u zich heeft gestoten
  • snel een bloedneus krijgen. Ook duurt het soms lang voor de bloedneus over is.
  • bloedend tandvlees of een bloedblaar in de mond
  • bloed in de plas of poep, bij hoesten of overgeven
  • rode puntvormige bloedinkjes op de huid
  • meer bloedverlies als u ongesteld bent
  • hoofdpijn of wazig zien
  • in de war of duizelig zijn
Advies
  • Neem direct contact op met uw zorgverlener als u:
    • een bloeding heeft die niet stopt.
    • rode puntvormige bloedinkjes op de huid heeft.
    • hevige hoofdpijn heeft, minder goed ziet, problemen met uw evenwicht heeft, in de war of slap bent.
  • Heeft u een wondje? Druk dit dan een paar minuten stevig dicht. Liefst met een steriel gaasje. Krab korstjes niet open.
  • Pas op met stoten. Zo voorkomt u blauwe plekken. Kijk ook uit met sport of activiteiten waarbij u meer kans heeft om gewond te raken.
  • Draag buiten altijd schoenen.
  • Zorg ervoor dat poepen makkelijk gaat. Eet genoeg vezels. Het is belangrijk om genoeg te blijven drinken, minstens 1,5 tot 2 liter per dag. Dit zijn ongeveer 10-12 glazen.
  • Gebruik verzorgingsproducten tegen een droge huid of lippen.
  • Gebruik bij het scheren liever een elektrisch scheerapparaat in plaats van een mesje.
  • Gebruik bij het tandenpoetsen een zachte (elektrische) tandenborstel. Wees voorzichtig met flosdraad, ragers en tandenstokers.
  • Vertel bij een bezoek aan uw tandarts of mondhygiënist dat u een behandeling krijgt waardoor u sneller kunt gaan bloeden.

Laatst gewijzigd: 16 oktober 2025

te weinig witte bloedcellen

Witte bloedcellen zijn belangrijk in het afweersysteem van het lichaam. Ze helpen om infecties tegen te gaan. Door de behandeling kunt u een tekort aan witte bloedcellen in uw bloed hebben. Dit heet ook wel neutropenie of in de dip-periode zitten. Wanneer de dip optreedt en hoelang deze duurt hangt af van de behandeling.

Uw zorgverlener controleert uw bloed. Als het aantal witte bloedcellen in het bloed te laag wordt, kan de arts de behandeling aanpassen. Zelf kunt u niets doen om een tekort te voorkomen.

In de dipperiode bent u het meest vatbaar voor infecties. Bij een infectie kunnen de volgende klachten voorkomen:

  • koorts (38,5 graden of meer)
  • koude rillingen en/of zweten
  • grieperig voelen
  • buikpijn
  • diarree
  • hoesten, soms met slijm
  • benauwd of kortademig zijn
  • pijn in de mond of keel, pijn bij het slikken
  • oorpijn
  • pijn bij het plassen, vaak (kleine beetjes) plassen, troebele of stinkende plas
  • hoofdpijn en/of een stijve nek
Advies
  • Neem direct contact op met uw zorgverlener als u:
    • koorts (38,5 graden of meer) heeft.
    • koude rillingen (klappertanden en rillen) heeft.
    • in de war of suf bent.
    • ergens over twijfelt of ongerust bent.
  • Was regelmatig uw handen met water en zeep.
  • Probeer wondjes te voorkomen. Trek bijvoorbeeld bij het in de tuin werken handschoenen aan. Heeft u een wondje? Controleer dan of het gaat ontsteken. Let op rood of warm worden, zwelling en pijn.
  • Verzorg uw mond en tanden goed. Bijvoorbeeld door regelmatig uw mond te spoelen met water.
  • Gebruik bij het tandenpoetsen een zachte (elektrische) tandenborstel. Wees voorzichtig met flosdraad, ragers en tandenstokers.
  • Zorg dat u regelmatig naar de tandarts gaat. Vertel bij een bezoek aan uw tandarts of mondhygiënist altijd dat u behandeld wordt en noem de soort behandeling die u krijgt (chemotherapie, doelgerichte therapie, immuuntherapie, hormonale therapie).
  • Let op dat u vatbaarder bent om een infectie op te lopen. Zeker tijdens de dip-periode. Blijf uit de buurt bij mensen die verkouden of ziek zijn.
  • Vermijd plekken waar veel mensen dicht bij elkaar komen. Bijvoorbeeld een concert of kroeg.
  • Bespreek met uw zorgverlener of het verstandig is om bepaalde vaccinaties te halen.

Laatst gewijzigd: 10-12-2025

Reacties op de prikplek

Door de behandeling kan op de prikplek een reactie ontstaan. De volgende klachten kunnen voorkomen:

  • rode huid
  • zwelling
  • warm gevoel
  • pijn
  • blauwe plek
  • irritatie van het bloedvat
  • hard aanvoelen van de huid of het bloedvat

U kunt zelf niks doen aan een reactie op de prikplek. Meestal verdwijnen de klachten weer binnen enkele uren tot dagen.

Advies

Neem direct contact op met uw zorgverlener als de huid rond de prikplek warm aanvoelt, pijnlijk of dik wordt of als er rode strepen ontstaan. Dit kan wijzen op een ontsteking van de ader. Een ander woord hiervoor is flebitis.

Laatst gewijzigd: 7 mei 2025

Reacties op het infuus

Door de behandeling via een infuus kunt u een reactie op het infuus krijgen. Meestal gebeurt dit binnen een paar minuten tot enkele uren na het toedienen van het infuus. Soms krijgt u vooraf medicijnen om een reactie te voorkomen.

De volgende klachten kunnen wijzen op een reactie op het infuus:

  • zwelling van het gezicht, ogen, tong, keel
  • rode huid of huiduitslag, soms met jeuk over het hele lichaam
  • benauwd zijn
  • duizelig zijn
  • koorts (38,5 graden of meer) en/of koude rillingen
  • drukkend gevoel op de borst
  • pijn in de onderrug
  • buikkrampen en/of diarree
  • misselijk zijn en/of overgeven
  • hoesten, een loopneus
  • blozen
  • onrust
Advies
  • Krijgt u klachten tijdens het infuus? Meld dit dan meteen aan uw zorgverlener. De behandeling kan dan (tijdelijk) worden gestopt. U kunt ook medicijnen krijgen om de klachten te verminderen. Meestal verdwijnen de klachten daarna snel.
  • Ontstaan de klachten pas enkele uren na toediening en maakt u zich zorgen? Neem dan contact op met uw zorgverlener.

Laatst gewijzigd: 28-9-2026

Schade aan zenuwen (neuropathie)

Door de behandeling kunnen uw zenuwcellen beschadigen. Dit wordt neuropathie genoemd. Als zenuwcellen beschadigen, kunt u verschillende klachten ervaren. Meestal beginnen deze klachten in uw vingertoppen en tenen. Maar ze kunnen zich ook verspreiden naar uw handen, voeten, armen en benen.

De klachten zijn meteen na de behandeling het ergst en verminderen in de weken tot maanden daarna. Het is ook mogelijk dat de klachten pas enkele dagen na de behandeling beginnen. Over het algemeen verdwijnen de klachten binnen enkele maanden. Bij sommige mensen gaan de klachten niet meer over. Welke klachten u ervaart, hangt af van welke zenuwen zijn beschadigd.

De volgende klachten kunnen optreden:

  • minder gevoel of 'doof gevoel' in uw handen, voeten, vingers en/of tenen
  • prikkelingen of tintelingen in uw handen, voeten, vingers en/of tenen
  • een branderig gevoel in uw handen, voeten, vingers en/of tenen
  • minder kracht in uw armen en/of benen
  • kramp in uw armen en/of benen
  • pijn in uw handen, voeten en huid bij het aanraken of bij wisselingen in temperatuur
  • verlies van fijne motoriek (bijvoorbeeld moeite met netjes schrijven of knoopjes dichtdoen)
  • minder goed kunnen horen of oorsuizen
  • problemen met uw evenwicht

Neuropathie kan uw dagelijks leven beperken. Bijvoorbeeld tijdens het sporten, wandelen, werken, slapen en bij uw hobby's of dagelijkse activiteiten. Hieronder vindt u adviezen over hoe u kunt omgaan met deze klachten en problemen.

Advies
  • Meld uw klachten aan uw zorgverlener om erger worden en/of schade te voorkomen. Uw zorgverlener kan samen met u bekijken wat er mogelijk is in uw situatie. Dit hangt af van uw klachten. U kunt bijvoorbeeld medicijnen tegen de pijn krijgen. Ook kan u worden doorverwezen en/of kan de behandeling worden aangepast.
  • Vermijd dingen die pijn doen, zoals hitte of kou.
  • Draag geen strakke kleren en/of schoenen.
  • Rook niet en drink geen alcohol.
  • Zorg dat u voldoende beweging krijgt. Regelmatig bewegen, zoals wandelen, blijkt een goed effect te hebben op neuropathie. Een (oncologisch) fysiotherapeut kan u hierbij ondersteunen. Vind er hier een bij u in de buurt.
  • Controleer regelmatig uw handen en voeten op wondjes of blaren, omdat u deze mogelijk niet voelt.

 Meer informatie over neuropathie kunt u hier vinden.

Laatst gewijzigd: 6 mei 2024

Koorts

Door de behandeling kunt u koorts krijgen. Koorts is een lichaamstemperatuur boven de 38,5°C. Koorts kan ontstaan door een infectie. Soms kan het ook een reactie zijn van uw afweer op het medicijn wat u heeft gehad.

De volgende klachten kunnen een teken zijn van een infectie:

  • koorts
  • koude rillingen (klappertanden en rillen)
  • zweten
  • het warm hebben
  • benauwd zijn
  • hoesten, soms met slijm
  • keelpijn
  • pijn bij het plassen, vaker plassen en/of troebele urine
  • diarree
  • buikpijn
  • ziek voelen

 Hieronder staan adviezen die u kunt volgen als u koorts heeft. Ook staan er adviezen om de kans op het krijgen van koorts te verkleinen.

Advies

Wat u kunt doen bij koorts:

  • Heeft u een temperatuur van boven de 38,5°C? Neem dan direct contact op met uw zorgverlener.
  • Heeft uw zorgverlener gezegd dat u paracetamol mag gebruiken? Neem dan 2 tabletten van 500 mg per keer. Niet vaker dan 4 keer per 24 uur.
  • Bij koorts heeft het lichaam extra vocht nodig. Door koorts en zweten verliest u meer vocht dan normaal. Het is belangrijk om genoeg te blijven drinken, minstens 1,5 tot 2 liter per dag. Dit zijn ongeveer 10-12 glazen. Denk aan water, thee, bouillon, sap of limonade. Genoeg drinken kan in het begin lastig zijn, omdat u niet altijd dorst heeft. Het kan dan helpen om op te schrijven wat u heeft gedronken.
  • Rust genoeg.

Wat u kunt doen om de kans op koorts te verkleinen:

  • Verzorg uw mond en tanden goed. Bijvoorbeeld door regelmatig uw mond te spoelen en tanden te poetsen. Wees voorzichtig met flosdraad, ragers en tandenstokers.
  • Was uw handen regelmatig, vooral na gebruik van het toilet.
  • Bespreek met uw zorgverlener of u de griepvaccinatie moet halen.

 Dit zijn algemene adviezen. In uw situatie kunnen andere adviezen gelden. Bespreek dit met uw zorgverlener. Neem bij twijfel altijd contact op met uw zorgverlener.

Laatst gewijzigd: 17 maart 2025

Voetnoot bijwerkingen

Bij de behandeling volgens het  R-CVP–schema kunnen tevens de volgende bijwerkingen optreden:

Zwangerschap.

Rituximab brengt mogelijk schade toe aan het ongeboren kind en wordt daarom bij voorkeur niet gegeven tijdens dan wel direct voorafgaande aan een zwangerschap. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden tijdens dan wel na de behandeling:

Voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd:

  • Vóór aanvang van de behandeling dient een zwangerschap uitgesloten te worden.
  • De vrouw dient minimaal één adequate anticonceptiemethode te gebruiken tot ten minste 3 maanden (Bortezomib) dan wel 12 maanden (Rituximab) na de therapie, ook bij onderbreking van de behandeling  Overleg eventueel met de behandelend arts dan wel met de huisarts over de keuze van de anticonceptie.
  • Bij een zwangerschap tijdens ontstaan tijdens de behandeling vindt overleg plaats met de behandelend arts over het vervolg van de behandeling. 

Borstvoeding:

  • Het geven van borstvoeding wordt ontraden.

Invloed op seksualiteit en vruchtbaarheid.

Seksualiteit

Gedurende iedere chemotherapie kunnen seksuele gevoelens en opvattingen/ standpunten bij veel mensen variëren. Sommigen voelen zich meer tot hun partner aangetrokken dan voorheen en hebben een groter verlangen tot seksuele activiteiten. Anderen ervaren weinig tot geen veranderingen in hun seksuele behoeften. Nog anderen vinden dat hun seksuele behoeften verminderen door de fysieke en emotionele druk veroorzaakt door kanker en de chemotherapie.

U kunt ontdekken dat intimiteit anders kan worden beleefd. Omhelzingen, aanrakingen, vasthouden en knuffelen kunnen belangrijker worden dan vrijen of geslachtsgemeenschap.

Het is belangrijk dat u probeert om uw gevoelens met uw partner te delen. Indien u moeilijkheden ondervindt om over intimiteit of seksualiteit en kanker te praten kan de hulp van een professionele hulpverlener gevraagd worden. U moet hierbij denken aan een maatschappelijk werkende, een psycholoog of seksuoloog.

Menstruatie

Cytostatica kunnen het aantal hormonen welke de eierstokken produceren, doen verminderen. Dit heeft als gevolg dat de menstruatie zeer onregelmatig kan verlopen of zelfs volledig wegblijft gedurende de behandeling.

De hormonale effecten van cytostatica kunnen menopauze-achtige symptomen veroorzaken, zoals warmteopflakkeringen, jeuk, branderig gevoel of droog aanvoelend vaginaal weefsel.

Vruchtbaarheid bij vrouwen

Letsels aan de eierstokken kunnen resulteren in onvruchtbaarheid: de onmogelijkheid om zwanger te raken. In sommige gevallen blijkt de onvruchtbaarheid slechts een tijdelijk karakter te hebben; in andere gevallen is het van permanente aard. Wanneer onvruchtbaarheid optreedt en hoelang het eventueel duurt hangt van vele factoren af, waaronder het type medicatie, de dosering en de leeftijd van de patiënt.

Vruchtbaarheid bij mannen

Chemotherapie kan het aantal spermacellen verminderen, hun bewegingsvermogen beïnvloeden of andere veranderingen veroorzaken. Hierdoor kan onvruchtbaarheid ontstaan welke tijdelijk of permanent kan zijn. Onvruchtbaarheid beïnvloedt het vermogen van de man om kinderen te verwekken maar beïnvloedt in principe niet  het vermogen tot geslachtsgemeenschap.

Als er permanente onvruchtbaarheid kan optreden is het belangrijk om dit onderwerp met de arts te bespreken vóór het starten van de behandeling. Indien wenselijk, kan worden overgegaan tot het invriezen van sperma teneinde dit in een later stadium te kunnen gebruiken.